zandvoortsebunkerploeg

 


sloop watertoren

 foto,s en film  g.o.z

Opgeleverd op 1 juni 1913, opgeblazen op 17 september 1943 ziedaar in enkele woorden het bestaan van de oude watertoren. Het hierbij laten zou echter tekort doen aan een utiliteit bouwwerk dat gedurende zijn slechts dertig jaren durende bestaan het silhouet van Zandvoort bepaald heeft. De toren was ontworpen door de uit Goes afkomstige architect Poelgeest. De kosten van het bouwen van een "gewone" watertoren werden geraamd op €.11344.51 .--, die van een toren met uitzichtmogelijkheden op €.20420.11 ,--. Door de gemeenteraad werd, heel verstandig, voor het laatste gekozen. De aanbesteding vond plaats op 24 september 1912, de bouw werd gegund aan de "Hollandsche Maatschappij tot het maken van werken in beton" gevestigd Groot Hertoginnelaan 250 te 's Gravenhage. Gekozen was voor de plaats gelegen pal voor strandpaal 66 waar de stenen vuurtoren stond, een voldoende hoog gelegen punt en ... eigendom van de gemeente. De bouw verliep, niet gehinderd door een strenge winter, zo voor- spoedig dat de maatschappij besloot op 17 mei 1913 een flinke d gratificatie aan de werknemers uit te reiken. Bij deze werknemers waren vele Zandvoorters, dit als voorwaar- de bij de aanbesteding gesteld. Na de oplevering - de gehele bouw duurde slechts acht maanden!- duren. Iedereen kent de reclame TURMAC die naderhand op de toren aangebracht. werd 17 september 1943, uitgerekend op de 43e verjaardag van de Directeur Gemeentelijke Bedrijven, de heer A. A. Cense, werd de watertoren, als ware het de bekroning van de sloop, door de bezetter opgeblazen  De foto van de vallende toren, is één uit de welhaast beroemde serie opnamen gemaakt door Ton Bakels.

Vrijdag, 17 September 1943, des middags om twee uur, werd de Zandvoortse watertoren opgeblazen

Zandvoort beleeft dus in deze dagen een lustrum, een lustrum, dat herinneringen oproept aan donkere, uitzichtloze dagen in Zandvoorts geschiedenis. Het heeft lang geduurd, vóór de toenmalige (bevolking van ons dorp, die toen nog omstreeks 1400 zielen bedroeg, het geloven kon en geloven wilde, dat onze trotse toren de weg zou gaan van zovele gebouwen, die met de grond gelijk werden gemaakt. Het is een gebeurtenis geweest, die nimmer uit onze herinnering zal verdwijnen en die één der grootste schanddaden is die bruut geweld ons konden aandoen. Wat is er achter de schermen gevochten voor het behoud van1 deze toren. Hoe heeft de  heer A. A. Cense 'directeur van het gas­ en waterbedrijf getracht, dit mooie bouwwerk voor onze gemeente te behouden. De meest onzinnige verhalen heeft hij uitgedacht en opgedist, watergebrek voor de hier gelegerde troepen, brandgevaar, ena. enz, het heeft niet mogen baten, er kwam wel af en toe uitstel, maar de Duitsers 'bleken ten slotte onvermurwbaar, de toren moest en zou verdwijnen. Het was stil die morgen in ons dorp. Het was  trouwens, behoudens de een tonige tred van de bespijkerde soldatenlaarzen en het luidkeels zingen van allerhande strijdliederen, (al was het „wir fahren gegen Engeland" reeds lang verstomd) altijd stil. Om 10 uur kwam de boodschap, dat van kwart voor tweeën tot kwart over tweeën alIe ramen en deuren moesten worden opengezet, want om twee uur zou de watertoren opgeblazen worden. Voor de laatste maal die morgen bezocht ik het bouwwerk. De pilaren aan de rechterzijde waren weggehakt. De toren zelf was nog geheel gaaf. Werklieden waren bezig met het boren van de laatste gaten, waarin de springstof werd aangebracht. Langs de trappen, tot aan de eerste omloop was het één kluwen van geel omwoeld electrisch draad. Patroon na patroon werd in de geboorde gaten aangebracht. Duitse soldaten liepen rond en controleerden de zaak. „Ausweis bitte!" Ik liet mijn ausweis zien. „In ordnung!" We mochten door. We gingen de trap op, naar •boven. Wat waardevol was, was er reeds uitgesloopt, de meeste leidingen waren verdwenen, maar de toren zelf stond nog trots en fier als altijd en boven .genoten we van hetzelfde uitzicht, dat hij ons hier al jaren geboden had. Wat is er niet in ons omgegaan, die morgen. Beneden ons lag het zwaar verminkte dorp, dat ons zo lief was; met het wegvagen van onze trotse toren, waarop we nu voor de laatste maal stonden, zou het de kroon zijn afgerukt. Het was prachtig weer die dag. Nog volop zomer, maar in ons was iets als van de vaalheid van een kille triest/e najaarsdag. En om kwart voor tweeën stonden we op het Gasthuisplein Tot ongeveer honderd meter in de omtrek was de boel afgezet, maar het uitzicht op de toren was subliem. De Rozennobelstraat was weg, de Engelbertstraat bestond niet meer, het flatgebouw was reeds lang verdwenen. We stonden op het Gasthuisplein, misschien met 100, misschien met 200 man, ik weet het niet  meer, maar de 'ernst van het ogenblik lag op aller gezichten. Twee uur precies. Een doffe knal weerklinkt, we hadden het al zo dikwijls gehoord  voor het opblazen van gebouwen. Aan de voet van de reus rijst een stofwolk omhoog, dan langzaam, héél langzaam opzij, trots en fier, een aangrijpend schouwspel dat ontroert tot in het diepst van de ziel. De zware dreun bij
het neerkomen is groter, dan de knal der ontploffing en nog op de grond ligt onze toren gaaf en ongebroken, op de bovenkap na, die enkele meters verder is neergekomen. Toen hebben héél wat toeschouwers hun zakdoek tegen de ogen gedrukt: het was een schouwspel, om nooit te vergeten. Maar nóg gaf onze toren zich niet gewonnen. Ruim 50 arbeiders hebben ruim twee maanden lang staan hakken en graven om onze toren weg te krijgen, en deze hebben opnieuw verschillende keren springladingen moeten gebruiken, omdat ie niet stuk wilde, en ze hebben gevloekt, omdat het „kreng" zo hard was. Ze hebben hun handen opengehaald aan hst harde beton en hun kleren gescheurd aan het taaie, dikke ijzer. Ruim twee lange maanden heeft onze toren nog weerstand geboden.